De Poelier.
Met vingerafdrukken bestempelde vitrines, plastic grasjes, roze kippenpoten en met bloed besmeurde schorten. Niet de meest romantische setting; toch verheugde ik me elke zaterdag er op om samen met mijn moeder mee te gaan naar de poelier. Ik zal een jaar of 16 zijn geweest en zwaar verliefd. Het soort waar je knikkende knieën van krijgt. En dat is me niet heel vaak gebeurd, kan ik je vertellen. Ja, de poelier was me er eentje. Donker haar, felblauwe ogen en een licht getinte huid alsof hij in het weekend speciaal vanuit Italië overvloog om mijn moeder haar kip te verkopen.
Na weken achter elkaar oogcontact gemaakt te hebben, spoorde mijn moeder me aan om er eens werk van te maken. Ik vermoed dat ze knettergek werd van mijn gegiechel naderhand in de auto en mijn puberale “Ooohh, wat is ‘ie leuk”, “Hij keek naar me!” en “Ik ben niet verliefd!”. Helaas is mijn moeder er niet meer, maar ik beschouw(de) haar altijd als mijn goeroe als het om mannen ging. Nog steeds raadpleeg ik regelmatig de kennis die ze mij heeft meegegeven. Waarschijnlijk is mijn blinde vertrouwen in haar mannenwijsheid de reden dat ik me daarom door haar om heb laten praten om nog een keer terug de winkel in te gaan om kippenhartjes voor de honden te halen, gewapend met in mijn ene hand een briefje van 10 gulden en in mijn andere een briefje met mijn naam en telefoonnummer. Er kon niets meer fout gaan. En behalve mijn rode hoofd en het geweldige “Hier, deze is voor jou!” als openingszin nadat ik had betaald, ging er ook niets fout. ‘s Middags belde hij keurig netjes om te bedanken, te zeggen dat ik hem de middag van zijn leven had bezorgd en dat hij het wel zou weten “als hij vrijgezel was”.
Er ging een poelierloze periode voorbij. Want ook al had hij positief gereageerd op mijn knullige actie, ik kon me nu natuurlijk niet meer zonder gêne vertonen in zijn territorium. Tot hij een paar weken later ineens aan de telefoon hing. “Met de poelier. Heb je zin om wat te gaan drinken?” Uiteraard zei hij niet “met de poelier”, maar dat is nu eenmaal hoe het verhaal zich inmiddels in mijn hoofd afspeelt. “Met de poelier. Heb je zin om wat te gaan drinken?” Dat had ik. En we dronken. En we lachten. En ik hing aan zijn lippen. Hij bleek niet alleen mooi te zijn, maar ook welbespraakt, welbereisd en aangezien hij toch al perfect was, waarschijnlijk ook welbehangen. Hoe perfect kan een jongen zijn op je 16e? Ik zat goed, daar op mijn roze wolk. Tot hij uit zijn broekzak een blauw plastic pakje met Javaanse jongens haalde. Daar ging mijn roze bril, mijn droom spatte uiteen.
Hoe de rest van de avond verder is verlopen, weet ik niet meer precies. Ik weet wel dat hij me geen gedag durfde te zoenen, teleurstelling op teleurstelling. Daarna heb ik ook nooit meer wat van hem gehoord en hij ook niet van mij.
Het meest ironische aan dit verhaal is dat ik tegenwoordig boven de beste vriend van de poelier woon, hij nog steeds mooi, welbespraakt en welbereisd is en via via bleek hij inderdaad welbehangen te zijn en tegenwoordig onderzoek doet naar de genezing van kanker. Ohja, en ik woon al 5 jaar samen met een kettingroker.

Frank
348 days ago
Heerlijk om weg te lezen, en vooral het stukje “Met de poelier. Heb je zin om wat te gaan drinken?” kon ik een kleine glimlach niet onderdrukken
Eva
348 days ago
Ik neem het mijn moeder ietwat kwalijk nu dat ze onze kip gewoon in de supermarkt haalde.