Titelloos I
Ik saboteer mezelf al mijn hele leven. Ik had getrouwd kunnen zijn, vast ook een bende kinderen kunnen hebben. Coach bij het voetbalteam van de jongste. Ik had een succesvol schrijver kunnen zijn, maar toen mijn droom te dichtbij kwam besloot ik me vol overgave te storten in wiet, seks en drank. Het enige cliché dat mist in dat rijtje is gokken, maar daar haal ik geen voldoening uit; dat is mij te onvoorspelbaar. Toch was dat juist wat mij aantrok in haar: ik wist nooit wat ze ging zeggen of doen. Elke dag weer was ze het cadeautje dat ik vol verbazing uitpakte, bewonderde en koesterde. Ik denk dat we zo goed werkten samen, omdat ze ervan genoot dat er van haar genoten werd. Ik hield van haar en zij hield ervan dat ik van haar hield. De regen klettert steeds harder tegen mijn rode en koud geworden wangen, de druppels blijven hangen in mijn baard. Een paraplu heb ik hier niet bij me en als vervanger drapeer ik een sjaal rondom mijn hoofd. Het enige dat ik vanmorgen in mijn haast heb meegenomen zijn mijn agenda, een pakje sigaretten, mijn jas, haar sjaal en trouwring. Mijn portemonnee zat al in mijn achterzak. Als dit weer aanhoudt, koop ik wel een paraplu. Of zo’n cape, daar lopen hier ook veel mensen mee. Ik voel me alleen.
De straten, de hoge gebouwen en de lampjes in de straten voelen niet meer hetzelfde als toen ik hier vier jaar geleden was met haar. Waar het vroeger een decor van romantiek was, zijn het nu slechts lange en hoge lappen beton en lichten die voorkomen dat je in een waterplas stapt. Ik heb ingecheckt in hetzelfde hotel waar we de laatste keer hebben overnacht. Kamer 611 was al bezet, dus ik heb me neer moeten leggen bij een andere kamer. Hij is best aardig. Klein, wel. En op de gang ruikt het nog steeds naar champignons. Ik heb een paraplu gekocht bij een souvenirshop met daarop tekenfilmfiguurtjes die ik niet ken. De andere mogelijkheid was het bekende I (hartje) New York, maar ik wil niet als toerist rondlopen. Dit is mijn stad. Dit was ooit mijn stad. Onze stad. De enige plek waar ik me kon bedenken heen te gaan. Waar ik me haar zo goed kan herinneren, om haar daar vervolgens te vergeten. Ik ga haar hier begraven.
Afgezien van het strand, mijn kassameisje in mijn vaste supermarkt en de daiquiri’s van mijn vader die ik moet missen, heb ik geen moeite met mijn plotselinge vertrek. Hier bestaat het leven uit nieuwe uitdagingen, kansen, mensen, vrouwen. Ik kan een heel nieuw persoon worden als ik wil. De man die ik altijd al had moeten worden. De man die ik was geworden als ik hier in New York was gebleven en niet met haar mee terug was gegaan naar Nederland. Hier zou ik de succesvolle man zijn geweest waar ze trots op had kunnen zijn. In Nederland was ik haar teleurstelling. Haar grootste fout. Verloren jaren die ze nooit meer over kon doen. De stad is niets veranderd. New York verandert constant, is geen moment hetzelfde, en toch ziet het er altijd hetzelfde uit. Daarom zijn er zoveel posters van New York gemaakt; zet een paar gele taxi’s op de weg, veel mensen op de stoep, wat hoge gebouwen en de basis voor de sfeer is gelegd. Ik heb altijd een speciale band met de stad gehad, iets wat Esther nooit heeft kunnen ontwikkelen. Ik heb nooit helemaal begrepen hoe een spontaan en open mens als zij niet kon aarden in zo’n levendige stad. Het doet er nu niet meer toe.
Het is rustig in Central Park. De regen jaagt de mensen de hoge gebouwen in, maar mij niet. Dit zijn de momenten waarop ik graag buiten ben en wil luisteren naar hoe al het andere geluid gedempt wordt door de regen. Ik speel met Esther’s trouwring in mijn jaszak. Het is moeilijk om er afstand van te moeten doen. Het hele moment voelt als in een film. Plechtig, verdrietig. Langzaam keer ik mijn hand om tot de ring in het kuiltje valt dat ik heb gegraven achter een bosje. Dag Esther, de mooiste fout van mijn leven.

Comments